Nieuwsbericht

Regeerakkoord: vluchtelingen en inburgering

12 oktober 2017 | 4 minuten lezen

Kabinet Rutte III trekt de teugels rond vluchtelingen en integratie aan. Sociaal Werk Nederland staat positief tegenover de voorstellen over intensievere begeleiding, beter inburgerings- en taalonderwijs, vanuit gemeentelijke regie en verantwoordelijkheid. Dat biedt lokaal de kans voor beter integraal maatwerk vanuit goed samenwerkende basisvoorzieningen rond statushouders en integratie. Als die betere begeleiding tenminste ook geldt voor statushouders die al in Nederland zijn en voor de wijken waarin zij wonen, en als de budgetten voor de intensievere begeleiding evenredig stijgen. Bovendien kleeft er aan de vrijblijvendheid die het kabinet formuleert voor gemeenten in verband met wonen en bijstand het risico van willekeur, waardoor statushouders zeer ongelijk behandeld kunnen worden.

Sociaal Werk Nederland stelt dan ook voor om (tijdelijk) extra geld vrij te maken om alle statushouders een intensievere aanpak te kunnen bieden, dus niet alleen de nieuwe. De grote groep van bijna 150.000 recent binnengekomen statushouders woont hier nu, maar zit nog in de bijstand. Zij kunnen alleen echt gaan integreren met behulp van intensievere begeleiding waardoor ze leren hun weg te vinden in de Nederlandse samenleving. Anders ontstaan er te grote verschillen van aanpak en ongelijkheid in kansen. Met meer uren voor de maatschappelijke begeleiding, uitgevoerd door sociaal werkers, waaronder vluchtelingenwerk, kunnen er in deze periode verbindingen georganiseerd worden tussen alle relevante gebieden die bijdragen aan zelfredzaamheid en snel meedoen in de maatschappij.

Zowel migranten als de ontvangende samenleving willen een snelle succesvolle integratie en nieuwkomers die een aanwinst kunnen zijn. Maar integreren kost meestal generaties tijd. Een nieuw leven vormgeven, met kinderen, de taal leren, een sociaal netwerk opbouwen, werk, scholing, vervoer, vrije tijd: alles tijdig en correct regelen in dit ingewikkelde land: het is een opgave. Zeker als je moet rondkomen van leefgeld. Een deel van de migranten kan dat zelf. Maar zoals alle cijfers laten zien: het grootste deel slaagt daar niet in. Het is dus maar de vraag of de kabinetsaanpak voldoende is om het ontstaan van een nieuwe onderklasse te voorkomen. Sociaal Werk Nederland gaat samen met lidorganisaties nauwgezet volgen of de volgende voorstellen reëel en effectief zijn.

De voorgestelde maatregelen aan de voorkant van het asielproces zijn goed en nodig: snelle eerste selectie, ketenpartners onder één dak, na snelle selectie snel vestiging in regio van latere huisvesting. Ze roepen wel de vraag op hoe de zorgvuldigheid in die snelheid wordt geborgd. De groep vluchtelingen die instroomt is over het algemeen (zeer) jong, zonder een groot specifiek arbeids- of onderwijsverleden. Wie bepaalt (en hoe!) waar het lokale baanaanbod dan aansluit? Ook het vervallen van rechtsbijstand voor vluchtelingen tijdens de asielprocedure roept vragen op.

Snel beslissen, niet steeds doorverhuizen; asielaanvragers meteen mee laten draaien in de samenleving is humaner en economisch effectiever. Kleinschalige flexibele opvang heeft meer draagvlak. Cruciaal is dat er vanaf de entree in Nederland een hechte samenwerking is tussen COA, het vluchtelingenwerk, gemeenten en de andere sociale basisvoorzieningen waarmee vluchtelingen en statushouders te maken hebben (inclusief actieve bewoners en vrijwilligers). Er bestaan al veel goede initiatieven, maar er is onvoldoende tijd om deze te verbinden. Als gemeenten de regie hebben kan dat beter worden opgepakt.

Statushouders hebben het recht om in Nederland te verblijven; voor hen gelden dus dezelfde wetten, rechten en plichten als voor iedere Nederlander. Van nieuwkomers wordt dan ook verwacht dat zij ‘onze vrijheden en gelijkheden omarmen’. Volgens het Regeerakkoord kunnen gemeenten ervoor gaan kiezen om statushouders echter een ‘status aparte’ te geven. Dat houdt onder meer in: twee jaar geen recht op woning of bijstand. Statushouders worden dan beknot in hun keuzevrijheid, ze worden afhankelijk van leefgeld en ‘diensten in natura’. Gemeenten hoeven dit niet te doen. De rechtspositie van vluchtelingen wordt uitgehold doordat zij, als zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, niet meer het basale recht op een advocaat hebben; doordat zij niet meer vrij zijn om hun eigen financiën te beheren in de eerste twee jaar kunnen zij dus ook geen geld vrij maken of sparen voor rechtsbijstand. Dit tast hun rechtspositie ernstig aan.

Voor ondernemende zelfredzame statushouders is dit een onnodige rem. Mensen worden afhankelijk gemaakt in plaats van gestimuleerd om met hulp van een minimaal inkomen toch zelfstandig te leven. Wat is het effect hiervan op het dagelijks leven van de vele jonge statushouders? En strookt dit met de nationale en Europese wetgeving over gelijkheid van alle burgers?

Ook voor statushouders hebben gemeenten meet- en weetplicht, en zorgplicht. Weten wie waar woont, wat iemand nodig heeft, wie betrokken is en ‘zorgen dat’ ze inburgeren. Dat vraagt om een realistische integrale aanpak. Ook om de wijk niet te verzwakken en belasten, maar juist te versterken. Dat betekent de sociale dienst aanhaken, onderwijs goed toerusten om de instroom van (kinderen van) statushouders en AMV’s te kunnen hanteren, maar ook het inschakelen van de middenstand, sportclubs, groepen bewoners enz. 

Als spil in de wijk kan het sociaal werk die toerusting uitvoeren: psychosociaal, praktisch, in samenwerking met de sociale dienst, wijkteam en huisarts (rond trauma’s). Gezien de duur van de inburgeringsplicht ligt daar een nadrukkelijke taak voor de generieke sociaalwerkorganisaties. Deze ouders en kinderen of jongeren hebben vaak immers meer nodig dan alleen taalles en leefgeld. Dit vergt extra inzet op intensievere begeleiding op maat, door goed getrainde en ervaren sociaal werkers die vrijwilligers aanschakelen.

Ook voor statushouders begint het met taal. Zij moeten aan hogere (taal)eisen voldoen, en inburgeren op een hoger niveau. Dit zal bijzonder lastig worden voor deze doelgroep: direct een adequaat en goed taalaanbod en intensieve begeleiding op alle levensterreinen is een basisvoorwaarde.

Een hoger taalniveau kan alleen bereikt worden met een sterke verbetering van taalonderwijs, de verhoging van de frequentie ervan, en mogelijkheden voor statushouders om in de praktijk aan taal te werken. Wordt taalles op B1-niveau gefinancierd door de rijksoverheid? En wat gaat dit inhouden: ‘de wijze waarop inburgeringscursussen worden gegeven en de examens worden getoetst, zal worden herzien waarbij kwaliteit, effectiviteit en handhaving van belang zijn’?

Het kabinet zet ook in op maatregelen rond verblijfsstatus en uitkering in het geval van verwijtbaar niet inburgeren. Het kabinet wil een simpeler systeem, maar statushouders worden blootgesteld aan de invulling en willekeur van gemeenten. De gemeente krijgt de regie, maar er komen geen eenduidige spelregels. Statushouders die wonen in een gemeente die onvoldoende investeert in begeleiding, en vervolgens de inburgering niet halen binnen de vastgestelde tijd, hebben daarvan nadeel.

Sociaal Werk Nederland zal met leden kritisch volgen wat daarvan de consequenties zijn voor kinderen en overige gezinsleden. En hoe realistisch het is om van nieuwkomers te verwachten binnen twee jaar succesvol in te burgeren.

Dit atikel is tot stand gekomen in samenwerking met lidorganisaties van Sociaal Werk Nederland.

Lid wordenContact