Nieuwsbericht

Reactie MOgroep op Beleidsbrief Jeugdzorg

Op 22 november 2011 geplaatst door
Monique Kaasjager

Staatssecretarissen Marlies Veldhuijzen (VWS) en Fred Teeven (VenJ) verstuurden dinsdag acht november jl. de beleidsbrief ‘Geen kind buiten spel: beleidsbrief stelselwijziging Jeugd’ naar de Tweede Kamer. Het kabinet gaat met deze brief voor vroegsignaleren, laagdrempelig integraal beleid, en demedicalisering van de zorg rond jeugd, iets waar de branche en de MOgroep al lang voor pleiten. De MOgroep mist ondersteuning door het Transitiebureau aan professionals en uitvoeringsorganisaties, en is tegen de knip die gemaakt wordt in het CJG en de Jeugdgezondheidszorg.

Visie

Het kabinet schrijft in deze brief expliciet dat gemeenten ondersteund zullen worden door het transitiebureau in het traject overheveling Jeugdzorg. De MOgroep mist een soortgelijke ondersteuningintentie richting professionals en uitvoerende organisaties. Die ondersteuning is essentieel om op een goede manier uitvoering te kunnen geven aan niet alleen deze, maar ook de andere transities die op gemeenten en uitvoeringsorganisaties afkomen.

Wmo compensatieprincipe in nieuwe wet

De staatssecretaris schrijft in deze brief dat in de nieuwe wet een nieuw uitgangspunt wordt geïntroduceerd: algemene zorgplicht voor de gemeenten om jeugdigen en hun opvoeders opvoed- en opgroeiondersteuning te bieden. De staatssecretaris wil een stelsel dat eenvoudiger is, snel, goed, en op maat functioneert, en dat een integrale aanpak van problemen bevordert.

 

De hoofddoelen van de stelselwijziging zijn dan ook ‘eerdere ondersteuning en zorg op maat’ en ‘betere samenwerking rond gezinnen.’ Vroegsignaleren, laagdrempelige hulp in de eigen buurt: dat sluit aan bij de visie van W&MD.

De staatssecretaris onderzoekt in hoeverre ze kunnen aansluiten bij het compensatiebeginsel, zoals in de Wmo. Een dergelijke opdracht zal resultaatgericht geformuleerd worden en geeft de gemeente de ruimte om maatwerk te bieden daar waar nodig. MOgroep heeft zich hiervoor in zijn lobby naar Kabinet en Tweede Kamer sterk gemaakt.

PGB

Staatssecretaris Veldhuizen van Zanten houdt vast aan het principe dat gemeenten zelf moeten kunnen bepalen wanneer een burger voor een pgb in aanmerking komt (‘kan-bepaling’). Na de overheveling van financiële middelen voor de zorg voor jeugdigen, zijn gemeenten niet verplicht tot het verstrekken van pgb‟s. Volgens de staatssecretaris kunnen wethouders op het lokale niveau goed zien in welke situatie een pgb een goed en wenselijk alternatief vormt voor zorg in natura.

Bij de beoordeling van de vraag of een pgb een aangewezen oplossing kan zijn, zouden onder meer de volgende aspecten kunnen worden meegewogen:

  • het ontbreken van een alternatief van zorg in natura;
  • de mogelijkheid van de ouder om regie te kunnen voeren op de zorg;
  • de doelmatigheid van de ingekochte zorg.

CJG

De staatssecretaris neemt in de opdracht aan gemeenten op dat elke gemeente een ‘herkenbare en laagdrempelige plek moet hebben van waaruit een aantal basisfuncties van ondersteuning en zorg wordt aangeboden.’ Ze zal niet wettelijk voorschrijven hoe elke gemeente een CJG moet vormgeven.

Eén van de taken waarin het CJG moet voorzien: integrale zorg rondom het gezin organiseren. Ook en meer hulpverlening vanuit CJG moet geboden worden vanuit de gedachte en praktijk: ondersteuning zoveel mogelijk in de eigen omgeving van het kind en gezin. De vele ‘toegangspoorten’ tot zorg voor jeugd moeten worden teruggebracht tot één frontoffice: het CJG (kan ook digitaal).

Het laagdrempelig karakter van het CJG moet bewaard blijven; de AMK-functie wordt belegd bij gemeenten, ‘die dat (bovenlokaal) gaan organiseren, in samenhang met het steunpunt huiselijk geweld en het Veiligheidshuis. “

Door ‘passend onderwijs’ wordt de samenwerking tussen scholen en zorg belangrijker. De school is een belangrijke plek voor vroegsignaleren,. Zorg in en om de school (met name rondom voorgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs) vormt één van de pijlers van het kabinetsbeleid om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan.

Jeugdgezondheidszorg

De MOgroep maakt zich zorgen over de wijze waarop jeugdgezondheidszorg in de brief wordt voorgesteld. Het preventief gezondheidszorgpakket van de jeugdgezondheidszorg, dat het kabinet in het belang van de volksgezondheid aan alle kinderen in Nederland actief en op identieke wijze willen aanbieden, (bijvoorbeeld medische screeningen en het rijksvaccinatieprogramma) zal, vanwege de inhoudelijke samenhang met de andere onderwerpen, in de Wet publieke gezondheid geborgd blijven.

Maar de activiteiten van de jeugdgezondheidszorg, die niet uniform aan alle kinderen worden aangeboden, maar waar lokale beleidsvrijheid en samenhang met andere activiteiten in het jeugddomein van belang is, zullen worden ondergebracht in het nieuwe wettelijke kader voor jeugd.

Knip?

Daarmee lijkt het er toch sterk op, dat er een knip gemaakt wordt in het CJG. Dat vindt de MOgroep onwenselijk. Consultatiebureau en Maatschappelijk werk vormen samen de basis van het CJG. Een knip schept afstand en staat haaks op directe samenwerking.

Positie JGZ

Wat betreft de positie van JGZ: zoals in de Bestuurlijke Afspraken 2011-2015 is vastgelegd, is in kaart gebracht voor welke specifieke groepen eventueel specifieke maatregelen moeten worden getroffen.

Zowel bij de decentralisatie van alle zorg en ondersteuning van jeugd, als bij de decentralisatie van de begeleiding worden geen bijzondere groepen uitgezonderd. In de Bestuurlijke Afspraken 2011-2015 is geconstateerd dat op alle taken voldoende bestuurskracht nodig is. Hiervoor is samenwerking nodig bij de uitvoering, bijvoorbeeld op het terrein van de inkoop.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal namens het Kabinet naar verwachting nog dit jaar een brief aan gemeenten sturen waarin o.a. de randvoorwaarden voor bovenlokale samenwerking op het terrein van jeugd worden opgenomen.

De gemeenten krijgen vervolgens één jaar de tijd om onderling afspraken te maken over bovenlokale uitvoering van de nieuwe taken. Indien gemeenten binnen het jaar geen passende invulling aan de uitvoering hebben gegeven, bepaalt het Rijk hoe deze samenwerking vorm gegeven gaat worden.

Innovatieartikel

De MOgroep heeft in gesprek met Tweede Kamerleden aangegeven te hechten aan het snel invoeren van het ‘experimenteerartikel’, om op die wijze snel budget los te wrikken en in te zetten voor innovatie en preventie. Dat experimenteerartikel komt er in elk geval: de staatssecretaris schrijft in haar brief:

 

‘Eerder hebben de staatssecretarissen aangegeven dat zij zich beraden over de voortgang van het Wetsvoorstel wijziging Wet op de jeugdzorg inclusief innovatieartikel. Tijdens het AO van 6 oktober hebben zij toegezegd hierover met de VNG en het IPO te overleggen. Dit overleg heeft inmiddels op 12 oktober jl. plaatsgevonden. Daarbij hebben zij aangegeven er waarde aan te hechten met bepaalde elementen uit dit wetsvoorstel door te gaan, om een soort „loopplank‟ naar het nieuwe stelsel uit te leggen.

Het gaat hen om het zo spoedig mogelijk introduceren van doorzettingsmacht van de burgemeester waar sprake is van problemen in de samenwerking tussen instellingen, het vergroten van innovatieruimte (met het „experimenteerartikel‟) van gemeenten en het vergroten van de beleidsvrijheid door het bundelen van financieringstromen binnen de huidige Wet op de jeugdzorg.

Transitieplan

De MOgroep zal volgens de brief als brancheorganisatie door het ministerie worden geconsulteerd bij het opstellen en uitvoeren van Transitieplan.

De staatssecretarissen werken eraan om voor het eind van het jaar te komen tot een Transitieplan. In dat plan zullen ze, samen met het IPO en de VNG, de fasering van de stelselwijziging neerleggen en aangeven op welke wijze we de komende periode de gemeenten gaan ondersteunen. Het gaat daarbij om zaken als: het beschikbaar stellen van feiten en cijfers over de zorgbehoefte individuele gemeenten, een spoorboekje van de transitie zodat helder is wanneer wat gaat gebeuren, handreikingen en voorbeelden die gemeenten kunnen gebruiken bij het opstellen van gemeentelijke en regionale transitieplannen.

De MOgroep informeert de leden als er ontwikkelingen zijn.

Fasering

Uiterlijk 2016 moet de decentralisatie van alle onderdelen van de jeugdzorg gerealiseerd zijn. Conform het Regeerakkoord, is 2013 een overgangsjaar voor de begeleiding vanuit de AWBZ naar de Wmo. Ook de begeleiding vanuit de AWBZ aan jeugdigen valt hieronder. Dit is de eerste fase van transitie van de jeugdzorg.

Vervolgens is de vraag of de overige taken gefaseerd worden overgeheveld of zoveel mogelijk in één keer. Vanuit het veld ontvangen zij vooral signalen voor het laatste. De voor- en nadelen hiervan worden in kaart gebracht en besluitvorming hierover wordt neergelegd in eerdergenoemd transitieplan.

Zie ook:

Om te reageren dien je eerst in te loggen.

Heb je nog geen profiel? Registreer dan eerst om een nieuw profiel aan te maken.
Ik wil delen
Home
Over ons
Sociaal werk in beeld
Thema's
Voor leden
Onze leden in kaartLid wordenContact Inloggen
Ik wil delen:
Sluiten